'Kijk verder dan de eerste indruk die ze achterlaten'

Vijfendertig jaar bestaat de reptielenopvang. “Hoe het begon? Ik werd verliefd op een zwart dier met rood haar”, grapt Rob Dumont (58). Hij is oprichter van de opvang die bij hem thuis begon en sinds 2010 is gevestigd in een pand langs de ringvaart in Zwanenburg. “Toen ik mijn vrouw mijn heimelijke liefde in 1983 opbiechtte, antwoordde ze: ga maar als je beter kunt krijgen. Zo kwam Tonneke in ons leven, vernoemd naar de verkoper van de Haarlemse dierenwinkel waar ik de vogelspin kocht.”


Net over de brug over de ringvaart die de dorpen Halfweg en Zwanenburg met elkaar verbindt, staat het ruime pand waar de reptielenopvang sinds tien jaar is gevestigd. Samen met zo’n vijfentwintig vrijwilligers geeft Rob Dumont zorg aan honderd reptielen; verschillende soorten slangen, schorpioenen en hagedissen. Bij binnenkomst staat de bezoeker direct oog in oog met twee kleine krokodillen die Rob liefkozend ‘langbektekkels’ noemt. 

Klittenbandpootjes 

“Jonge aapjes, zeehondjes en leeuwtjes; stuk voor stuk vinden mensen deze dieren schattig. Terwijl het toch wilde dieren zijn. Ze kunnen mensen verwonden of nog erger. Reptielen vinden de meesten maar koud en glibberig, geen dieren om van te houden.”

Zelf kan hij zich daar niets bij voorstellen. Hij is gefascineerd door deze geheimzinnig beesten.

“Ze zien er prachtig uit, bijna ingenieus zoals ze in elkaar zitten. Als een vogelspin vervelt, krijgt hij een soort klittenbandpootjes, waarmee hij tegen gladde oppervlakten op kan lopen. Ik wil begrijpen hoe deze dieren in elkaar zitten en verder kijken dan de eerste indruk die ze achterlaten.” 

Favoriete huisdier? De vogelspin! 

Rob heeft zich verdiept in reptielen. Hij lijkt een wandelende encyclopedie. Zonder een spoortje ‘hoor mij eens’ blijkt hij een waterval van reptielenkennis. De eerste jaren was de British Tarantula Association zijn belangrijkste informatiebron. Internet was er nog niet. 

“Die club werd gerund door Mrs. Webb, geweldige naam toch?! Qua spinnen bestaan er alleen al 3.500 hoofdsoorten. In totaal zijn er meer dan 20.000 ondersoorten. Wist je trouwens dat in Engeland de vogelspin het meest gehouden huisdier was tot 2011? En dat 70 procent van de eigenaren een vrouw was? Ook bij onze opvang is zeker de helft van de verzorgers vrouw.” 

Rob Dumont, oprichter van de reptielenopvang

Rob Dumont (rechts), oprichter van de reptielenopvang in Zwanenburg. Foto: Jur Engelchor
 

‘Jij hebt toch gekke dieren?’ 

Van één vogelspin in de woonkamer naar een professioneel georganiseerde opvang die volledig op vrijwilligers draait, gebeurt niet van de één op de andere dag. 

“Het aantal dieren groeide. Op een zomerse dag begin jaren tachtig stond de dierenambulance op de stoep. ‘Jij hebt toch gekke dieren? We hebben net twee gifslangen opgehaald. Kunnen ze bij jou terecht?” 

Zijn huis in Haarlem met woonkamer en vijf slaapkamers stroomde in de jaren tot 2010 vol met terraria waarin de meest uiteenlopende reptielen werden opgevangen.

“Gedumpt bij het grofvuil. Vorig jaar werden alleen al in Amsterdam 26 reptielen op straat gevonden. Maar vaak worden beesten zelf door hun voormalige eigenaren gebracht onder het mom: ‘ik kan niet meer voor ze zorgen, want ik heb werk/ een gezin/ een relatie. Feit is dat reptielen geen gewone huisdieren zijn. Ze hebben bijzondere zorg nodig en brengt ook kosten met zich mee, zoals warmte van speciale lampen die altijd branden.” 

Gebeten! 

De beslissing om te verhuizen, maakte Rob toen het een keer goed misging. 

“Ik was bezig met de verzorging van een Westelijke Ratelslang Diamantback, een defensieve ratelslang. Ik zag zijn aanval aankomen, maar was nét een fractie te laat. Met één tandje had hij mij gebeten in mijn hand.”

Rob legt zijn rechterhand open op zijn bureau.

“De muis van mijn hand heeft de chirurg moeten verwijderen. Kun je tegen wat nare beelden?”

Op zijn computer laat hij zien hoe zijn arm er na de beet uitzag. 

“Het gif van deze slang zorgt dat necrose optreedt op de plek waar je bent gebeten. Simpel gezegd; daar begin je van binnenuit weg te rotten. Vervolgens begint je lijf steeds verder op te zwellen. Mijn hand en arm waren bij aankomst in het ziekenhuis meer dan twee keer zo dik.”

De foto’s gemaakt in de operatiekamer tonen een onwerkelijk plaatje. Alsof er een rollade op de werkbank van de slager ligt. Rob blijft rustig, net als toen.

“Als je je druk maakt, gaat je hartslag omhoog en wordt je bloed sneller door je lijf gepompt en dus ook het gif.”

Hij rolt de mouw van zijn trui omhoog. Twee grote, grove littekens aan de boven- en onderkant van zijn onderarm worden zichtbaar.

“Tijdens het revalidatieproces dat volgde, besloot ik op zoek te gaan naar een nieuw onderkomen.” 

Koningspython

Een koningspython uit de reptielenopvang. Foto: Jur Engelchor
 

Knalblauw 

Dat werd het pand aan de Zwanenburgerdijk 493. Naast de grote centrale ruimte waar de twee langbektekkels Schnappie en Fifi in hun bassin dobberen, zijn nog vier aparte vertrekken. Een quarantaineruimte waar alle nieuwe dieren de eerste twee weken verblijven. 

“Zo wennen ze rustig aan hun nieuwe omgeving. Plus dat wij hun gezondheid kunnen onderzoeken.” 

Naast het terrarium van een baardagaam met een lelijke verwonding aan zijn staart, tilt Rob een blauwtongskink uit zijn hok en neemt hem op de arm. 

“Deze dieren horen met hun longen. Zij voelen het geluid via de grond en weten zo of er gevaar dreigt. Ze hebben wel gehoorgangen, maar die werken nauwelijks meer.”

De hagedissoort oogt gedrongen met zijn korte pootjes. Hij is niet langer dan dertig centimeter en ziet er wat onopvallend uit met zijn beigekleurige, gladde schubben.

“Toch kunnen deze dieren zich razendsnel verplaatsen. Hun knalblauwe tong is bedoeld om vijanden af te schrikken, maar gevaarlijk giftig is hij niet.” 

Dwerganaconda ‘Cliko’ 

Rob en de vaste maandagvrijwilliger John Boogaard lopen door de grote ruimte naar de andere warme ruimte van het pand. “Hier links bewaren we het voer”, wijst John. Hij opent de deur van de voorraadkamer. In twee stellingkasten staan hokken opgestapeld waar muisjes en kleine ratjes over elkaar heen krioelen. “In tegenstelling tot de reptielen, is het geen probleem als zij zich voortplanten”, lacht John en opent ondertussen de deur naar het derde vertrek. Hier staan aanzienlijk grotere, glazen terraria naast elkaar en soms ook boven elkaar. De meeste verblijven zijn gevuld met slangen. Op een A4’je, geplakt op de zijkant van een verblijf staat de betekenis van zeven codes. Van giftig (1) en zwak/medisch (6) tot extreem gevaarlijk/ontsnappingsgevaar (4). Rob wijst naar een hok laag bij de grond. 

“Daar ligt Cliko. Een 65 kilo zware dwerganaconda die met zijn vier meter de langste is van heel West-Europa. Zijn naam dankt hij aan het feit dat hij niet zo kieskeurig is qua eten.” 

Leguaan

Een leguaan uit de reptielenopvang. Foto: Jur Engelchor
 

Gedumpt 

Het is nauwelijks voor te stellen gezien zijn omvang, maar ook ‘Cliko’ is gedumpt door een baasje dat van hem af wilde.

“In 2003 kwam er een melding binnen dat er een dier in een park in Beverwijk gespot was. Ik ging ernaartoe, maar na een paar rondjes had ik nog niets gezien. ‘Vast het zoveelste geintje met een stofzuigerslang’, dacht ik nog. Terwijl ik het park uit liep, werd ik gebeld. Een stem droeg mij op in de hoogste boom te kijken. Toen werd de verbinding verbroken. Ik liep terug en al gauw zag ik op drie meter boven de grond een anaconda in de boom hangen: Cliko.” 

Uiteindelijk heeft Rob hem met hulp van de brandweer, gedrapeerd over zijn arm, uit de boom kunnen halen.  

Terugbrengen? 

De gevonden dieren een tweede leven geven door ze terug te brengen naar de gebieden waar ze oorspronkelijk vandaan komen, klinkt ideaal. Toch is dit in de praktijk zo goed als onmogelijk.

“Naast dat het enorm kostbaar is, is het ook een groot risico. Wie weet welke ziekten en bacteriën zij hebben opgedaan in gevangenschap, waardoor zij een bedreiging zijn geworden voor hun eigen diersoort.” 

Blij is de reptielenopvang met geen enkel nieuw dier dat wordt gebracht.

“Het liefst wil je dat ze een fijn thuis hebben. Wel nemen we elk beest aan. De meesten vinden via ons netwerk vaak een nieuw onderkomen. Ze worden geadopteerd, maar blijven eigendom van de opvang.”  

Kijk uit voor gesproei 

Inmiddels zit Rob weer achter zijn bureau dat uitkijkt op de vierde kamer. Achter het raam van de kleine ruimte, die alleen toegankelijk is via een dubbele sluisdeur met code, staan drie onooglijke bakjes.

“Daar zitten schorpioenen in. De meest gevaarlijke kan je zelfs van een afstandje besproeien met zijn gif. Alleen getrainde vrijwilligers met kennis van de dieren mogen ze verzorgen.”

Gepubliceerd op: 
25 feb 2019