Hen overleed aan de gevolgen van het coronavirus

Deel deze pagina
Een grafiek met sterftecijfers door COVID-19. Het ziet er abstract uit, maar achter elk cijfer zit een mensenleven. Iedereen wéét ’t. Toch voelt het anders, verder weg, minder écht. Marjolijn Duker (58) vertelt wat haar man Hen overkwam. Hen de Ruiter (63), vader van vier zonen en half-papa van twee en kunstdocent aan het Herbert Vissers College in Nieuw-Vennep, overleed 1 februari 2021 aan de gevolgen van het coronavirus.

“’Wat doe jij nou?’ vraag ik Hen als ik begin december van mijn werk kom. Hij zit met z’n rug tegen de verwarming in de keuken. ‘Ik heb het koud.’ Hen, koud?! Hij heeft het nóóit koud. Ik leg mijn hand op zijn voorhoofd. Even later bevestigt de thermometer m’n vermoeden: hij heeft koorts. Meteen klapt hij zijn laptop open om een afspraak te maken voor een coronatest. Hij kan de volgende dag al terecht in Vijfhuizen. Behalve koorts heeft hij nergens last van, dus ik hoef niet thuis te blijven. Het Sinterklaasfeest op de vrijeschool waar ik lesgeef aan klas 1 en 2 kan gewoon doorgaan.”

Hen de Ruiter en Marjolein Duker op een strand

Hen de Ruiter en Marjolijn Duker. Foto via Marjolijn Duker. 

“Die avond, ik sta net onder de douche, komt Hen dansend de badkamer binnen: ‘ik heb het niet, ik heb het niet!’ Zijn coronatest is negatief. We zijn opgelucht. Hij heeft vast kougevat tijdens z’n werk waar de ramen en deuren van alle klaslokalen continue openstaan. De week die volgt, blijft Hen koorts houden. Hij voelt zich moe en slap, zelfs een potje compôte opendraaien lukt niet. De huisarts, die hij twee keer belt, adviseert om binnen te blijven en uit te zieken. Immers, hij is negatief getest.”

“Na het weekend steekt Kjell, de jongste zoon van Hen die nog bij ons woont, regelmatig zijn hoofd om de hoek van de slaapkamer. Zelf houd ik van mijn werk contact via app’jes. Als Hen stuurt ‘ik kan niet…’, bel ik op. Blijkt hij geen berichtje meer te kunnen typen. Het kost hem te veel kracht. Ondertussen belt Kjell zijn oudste broer Lars: ‘Papa is niet oké’. Ook Lars vindt dat zijn vader vreemd reageert en besluit direct langs te gaan. Het is inmiddels eind van de middag als ze de huisarts bellen: ‘We vertrouwen het niet’. Maar de assistente die Hen kort spreekt, vindt Lars en Kjell te bezorgd. Hen zegt zelf toch dat het goed gaat?! Na een discussie mogen ze toch langskomen. Hen wil nog douchen, maar weet niet meer hoe de douchedeur werkt. Ook heeft hij tien minuten nodig om zijn schoenen aan te trekken. Als ze eindelijk bij de spoedpost zijn, is de arts er snel uit: ‘Direct naar het ziekenhuis! Een ambulance bellen duurt te lang.’ Daar aangekomen is Hen zo verzwakt dat Lars hem in een rolstoel naar de afdeling rijdt, waar hij hem achter moet laten.”

“We zijn bezorgd, maar opgelucht dat Hen is opgenomen in het Spaarne Gasthuis. Daar krijgt hij de zorg die hij nodig heeft. Als we die maandagavond beeldbellen, ligt hij op de verpleegafdeling aan het zuurstof. ‘Ik voel mij beter, maar heb corona.’ We schrikken. Dus toch! Al denken we niet meteen het ergste. De volgende dag is Hen redelijk rustig. De verpleegkundige die belt, vertelt dat Hen pas naar de IC moet als hij meer zuurstof nodig heeft. ‘Maar daar ziet het nu niet naar uit’ stelt ze ons gerust. Nog geen half uur later gaat de telefoon weer. Of we direct kunnen komen. Hen moet naar de IC. Meteen is er dikke paniek. Wat nu? Als ik in beschermende kleding bij Hen aan het bed sta, vertelt de arts met welke scenario’s we rekening moeten houden. ‘Als we u in slaap moeten brengen komt u er óf goed uit, óf er zijn dingen niet goed gegaan in uw hoofd, óf u komt er niet uit.’ Het voelt of ik in een foute film zit. Ik hóór wat de arts vertelt, maar schakel onbewust over naar de modus ‘maar dat gaat ons niet gebeuren! Reanimeren? Waar heb je het over!’ Hen is gelaten en erg moe.”

“Dinsdag laten we ons allemaal testen en sturen Hen grappend foto’s van ons ‘familie-uitje’. Gelukkig test niemand positief. De volgende dag geeft Hen aan wel een krantje te willen. Ik ben zó blij: het gaat beter! Maar als ik die middag met Lars op bezoek ga, zie ik direct dat Hen’s kleur niet goed is. Terwijl ik hem gedag zeg, begint Hen verwijtend te praten. Hè? Zo is hij niet! Een arts loopt naar ons toe: ‘U ziet het vast al. Het gaat niet goed met uw man. We gaan hem zo in slaap brengen.’ Ik huil: niet mijn man! Hen reageert schijnbaar onbewogen: ‘tja, dat is dan zo.’ Als we even later de afdeling aflopen, roept hij ons toe: ‘doe iedereen de groetjes van mij! Zeg iedereen dag van mij!’ Buiten zak ik op de gang tegen een muur in elkaar. Volgens de regels moeten we direct weg, maar een broeder leidt ons naar een kamertje. Daar gooien Lars en ik alle beschermende kleding af. Ook dat mag officieel niet, maar de broeder geeft aan dat het geen probleem is: ‘Ik maak alles straks schoon.’”

“Die avond, als ook de andere zonen op de hoogte zijn, is wel duidelijk dat het ‘dikke shit’ is. Op advies van de verpleging begin ik aan een dagboek. Alles wat gebeurt schrijf ik op: van grapjes tot kaarsjes die mensen aansteken. Ook print ik alle appjes uit die mensen sturen en plak ze in. Als Hen bijkomt, kan hij lezen wat hij heeft gemist. De eerste dag gaat goed. Hen is een voorbeeldige IC-patiënt. Logisch vinden wij: Hen heeft geen onderliggend lijden, geen overgewicht. Als hij twee paracetamol per jaar slikt, is het al veel. Maar dat elk voordeel een nadeel heeft, blijkt een paar uur nadat hij ‘in slaap’ is gebracht. Er is geen plek meer in Haarlem, dus Hen moet als ‘beste’ patiënt naar het AMC in Amsterdam. Het voelt niet goed dat ze zo’n zieke man verhuizen, maar het moet.”

Marjolijn Duker en Hen de Ruiter zittend op een stenen trap

Marjolijn Duker en Hen de Ruiter. Foto via Marjolijn Duker.

“Een week nadat Hen in een kunstmatige coma is gebracht, loop ik de afdeling op. Hij zit rechtop in bed. Alleen bij slecht nieuws wordt gebeld. ‘Ik ben nog nooit zó blij geweest, zelfs niet bij de geboorte van mijn kinderen!’, roep ik uit. De verpleging lacht, maar Hen zelf is boos en verongelijkt. Zo ken ik hem niet. Hij schreeuwt, terwijl hij nooit schreeuwde: ‘Water Jorn, ik moet water!’ Hij vertelt dat hij acht maanden moet blijven en een andere keer dwingt hij zijn zoon Kaj om het zwembad te zoeken, omdat hij moet zwemmen. We snappen niet wat hij bedoelt. Hij blijkt een delier te hebben, een soort acute verwarring. Achteraf kunnen we zijn opmerkingen plaatsen: hij had dorst, maar kreeg beperkt vocht omdat zijn longen anders zouden vollopen. Die acht maanden sloeg op de revalidatieperiode waar de fysiotherapeut hem op voorbereidde. En het zwemmen konden we linken aan het draaien van IC-patiënten tijdens hun kunstmatige slaap. Mensen worden dan in een zwemmershouding gelegd met één arm naar voren en de ander naar achter. Als de verpleging, zes man sterk, een patiënt van rug naar buik keren of andersom, vertellen ze wat ze doen.”

“Een week is Hen ‘wakker’. Elk afscheid is emotioneel. ‘Ga maar, ik moet slapen’, zegt Hen. Drie dagen voor Oudjaar hijsen Lars en ik ons net in de beschermende kleding als de verpleging vraagt of we nog even willen wachten. ‘Niks aan de hand, we zijn even bezig met de verzorging.’ Maar als we weglopen, rent de arts die we daarvoor spraken ons achterna: ‘Het ging opeens zo slecht met uw man. Zijn zuurstof dook omlaag. We hebben hem weer in slaap moeten brengen.”

“Hoe ik de vijf weken die daarop volgen ben doorgekomen, weet ik niet. Elke ochtend om half zeven belt de verpleging en kruis ik mijn vingers in de hoop op goed nieuws, maar elke keer is er wat: hoge koorts, een bacterie, trombose, een longembolie, longontsteking, delier. Hen heeft veel last van de tube in zijn keel en probeert ‘m er steeds uit te trekken. Artsen willen een opening in zijn luchtpijp maken, maar die operatie wordt tot vijf keer toe uitgesteld. Dat Hen elke dag een andere arts heeft, is niet fijn voor ons, maar dat betekent wel dat hij steeds een scherpe arts aan zijn bed heeft. Keer op keer spreken ze hoopvol: ‘uw man is niet oud en heeft geen onderliggend lijden.’ Toch zie ik dat Hen er steeds slechter uitziet; hij vermagert, zijn ribben worden zichtbaar, zijn baard- en borsthaar zijn afgeschoren, zijn ogen dichtgeplakt en zijn lippen dik omdat hij regelmatig met zijn gezicht naar beneden ligt. Maar hoop is hoop, dus daar houd ik mij aan vast.”

“Maandag 1 februari word ik ’s ochtends gebeld. De geplande operatie kan vanwege een infectie weer niet doorgaan. Hen krijgt antibiotica en er wordt onderzoek gedaan naar de oorzaak van de ontsteking. Aan het eind van de middag, als Lars en ik net naar het ziekenhuis willen vertrekken, belt een onbekend nummer. Alle nummers waar eerder vanuit het ziekenhuis is gebeld, heb ik al opgeslagen dus ik ben niet direct gealarmeerd. Een arts aan de telefoon, of we even kunnen praten. We staan met onze jassen aan in de keuken, mijn telefoon op de luidspreker op het aanrecht zodat Lars ook mee kan luisteren. De arts begint met ‘dan wil ik vragen of jullie met z’n allen…’ De rest hoor ik niet meer. Ik kan alleen maar gillen, smijt jas en bril van mij af en trek uit pure wanhoop plukken haren uit mijn hoofd. Dit is het bericht dat ik al weken vreesde, maar langsheen bleef leven. Nu is echt.”

“Binnen twintig minuten zitten we in de auto naar het AMC. Ondertussen regelend dat alle andere zonen ook naar het AMC komen, wat nog een heel gedoe is. In de parkeergarage zijn de drie jongste zonen van Hen duidelijk: wij geven geen toestemming! We passeren de bewaking die op de hoogte is van onze komst. ‘Geen goed teken’, schiet door mijn hoofd. Op de afdeling wacht een arts ons op. Hij kijkt op als we negen man sterk voor hem staan, maar laat het toe. We nemen plaats in een kamer en de arts begint. ‘Ik vraag niet om toestemming, maar wil dat jullie het begrijpen. Het leven van jullie vader en man wordt in stand gehouden door apparaten en medicijnen.’ Lars en ik begrijpen het direct, ook mijn zonen en twee schoondochters zwijgen. Maar de drie andere zonen van Hen, die hem om de vier dagen zagen, hebben een dik uur nodig voordat ze begrijpen wat de arts zegt. Huilend en verbijsterd gaan ze één voor één ‘om’.”

“Intussen heeft de verpleging Hen in een kamer apart gelegd, met alle kaartjes en foto’s die om zijn bed hingen. Eerst gaan de vier zonen van Hen, ingepakt, naar binnen. Ze worden begeleid door een verpleegkundige: Wat wil je nog zeggen? Wat zijn mooie herinneringen? De aanblik als zij van de afdeling lopen… die vergeet ik mijn leven niet. Daarna ga ik met mijn zonen Stijn en Jeppe naar binnen. De laatste keer zagen ze een gezonde Hen; grapjes makend en discussiërend. Ze schrikken hoe slecht hij eruitziet. Als zij weg zijn, ben ik een paar minuten met Hen alleen. Ik pak de cirkel met namen die ik in een creatieve bui een aantal weken daarvoor heb gemaakt. ‘Lieverd, je zei dat ik iedereen gedag moest zeggen van jou. Nu gaat iedereen jou gedag zeggen.’ Dan lees ik, van buiten naar binnen, alle namen voor. Als een uurtje later, in bijzijn van Lars, alle apparatuur wordt afgekoppeld en de medicijnen worden stopgezet, horen we niet meer dan een pufje. Dan is het stil.”

Gepubliceerd op: 
2 jun 2021